De worsttest
Neem een handvol vochtige aarde en probeer er een rolletje van te draaien. Valt het meteen uit elkaar en voelt het korrelig, dan heeft u zand. Rolt het tot een dun worstje dat u tot een ring kunt buigen, dan is het klei. Zit u ertussenin, dan is het zavel of leem.
Veen herkent u aan iets anders: het is bijna zwart, licht van gewicht en spons-achtig, en het krimpt sterk als het uitdroogt. Kijk voor de zekerheid ook even bij de buren en in de berm; grondsoorten volgen het landschap en houden zich niet aan erfgrenzen. Wilt u weten wat de kaart over uw perceel zegt, dan kunt u dat opzoeken in Bodemdata van Wageningen.
Wat elke soort van u vraagt
Zand laat water direct door en houdt nauwelijks voeding vast. U kunt er altijd op werken, ook na regen, maar u moet vaker bijmesten en in droge zomers vaker gieten.
Klei is het omgekeerde: voedzaam en vochthoudend, maar in de winter drassig en in de zomer zo hard als beton. Werk er nooit op als hij nat is, want dan smeert de structuur dicht en dat is jarenlang te merken.
Veen is voedzaam en houdt veel water vast, maar klinkt in — de bodem zakt langzaam, zeker als de grondwaterstand daalt.
Compost is het antwoord op alle drie
Wat de grondsoort ook is, organisch materiaal verbetert hem. Op zand houdt compost water en voeding vast; op klei maakt hij de structuur luchtiger zodat wortels erdoorheen komen.
Werk het niet diep in maar leg het als laag van twee tot vijf centimeter bovenop, in het najaar of vroege voorjaar. Regenwormen doen de rest, en die doen het beter dan een spade — spitten verstoort het bodemleven meer dan het oplevert.
De zuurgraad, en waar u die aan merkt
De meeste tuinplanten willen een pH tussen ongeveer 6 en 7. Een paar groepen wijken daarvan af: rododendron, azalea, skimmia en heide willen zuur, rond 4,5 tot 5,5.
Het bekendste voorbeeld is de hortensia. Dezelfde plant bloeit blauw op zure grond en roze op kalkrijke grond, omdat de zuurgraad bepaalt of de plant aluminium kan opnemen. Wie blauw wil op kalkgrond, moet de grond blijven aanzuren — het is geen eenmalige ingreep.
Meten kost weinig
Een eenvoudige pH-set uit het tuincentrum kost een paar euro en is nauwkeurig genoeg om te weten in welke hoek u zit. Neem monsters op drie plekken en meng ze; één monster zegt weinig.
Wilt u het echt weten, bijvoorbeeld bij een moestuin die niet wil, dan is een grondmonster-analyse bij een laboratorium de moeite waard. Die geeft naast de pH ook het organische stofgehalte en de belangrijkste voedingsstoffen.
Kies planten die passen
De goedkoopste tuin is de tuin die op zijn eigen grond staat. Op droog zand doen lavendel, salie, kattenkruid en siergrassen het uitstekend; op vochthoudende klei zijn dat juist zonnehoed, wederik en hosta.
Vecht dus niet tegen de bodem maar gebruik hem. Dat scheelt water, mest en teleurstelling — zie ook een border opbouwen.

